
Culturele assimilatie
Tycho Leyenaar en Lisanne Troost
Een verhaal over Indische identiteit en wat tussengeneraties verloren en bewaard gebleven is.
Portret Paul (67)
Portret Rowyn (21)
Voor veel Indo’s betekende aankomen in Nederland opnieuw beginnen, na jaren oorlog van geweld en verlies. De ontvangst was koel: woningnood, wantrouwen en onbegrip bepaalden het maatschappelijke klimaat. De nasleep van de Tweede Wereldoorlog zorgde ervoor dat er in Nederland nauwelijks ruimte was voor het verhaal van deze nieuwe groep immigranten. Actieve begeleiding bij integratie ontbrak; aanpassing werd als vanzelfsprekend beschouwd. Juist die vanzelfsprekendheid verklaart waarom deze migratie zo weinig zichtbaar werd in het collectieve geheugen, terwijl haar invloed verankerd raakte in de Nederlandse cultuur. Het openlijk opeisen van ruimte voor eigen cultuur voelde voor velen niet veilig of gepast.
De Indische cultuur verdween grotendeels uit het openbare leven en bleef bestaan binnen de privésfeer: in eten, gewoonten en dagelijkse rituelen. Over het verleden werd weinig gesproken; ervaringen, herinneringen en trauma’s bleven onuitgesproken en lieten diepe littekens achter binnen de familiare verbanden. De stilte had blijvende gevolgen: culturele kennis werd niet altijd doorgegeven en latere generaties hielden regelmatig een afstandelijk gevoel over bij hun afkomst. Met een geschiedenis die zich afspeelt in een ander land, maar zijn sporen sterk achterlaat binnen de nieuwe generaties. Toch verdween de Indische identiteit nooit volledig. Wanneer Paul samen met zijn zoon Rowyn langs zijn ouderlijk huis aan de Watermanstraat in Enschede loopt, wordt de culturele aanpassing zichtbaar. Twee generaties, met de sporen van dezelfde geschiedenis. Hun levens laten zien hoe identiteit in de tijd verschuift: wat werd losgelaten, wat zich aanpaste en wat, ondanks jaren van zwijgen, is blijven bestaan.
Voor veel Indo’s betekende aankomen in Nederland opnieuw beginnen, na jaren oorlog van geweld en verlies. De ontvangst was koel: woningnood, wantrouwen en onbegrip bepaalden het maatschappelijke klimaat. De nasleep van de Tweede Wereldoorlog zorgde ervoor dat er in Nederland nauwelijks ruimte was voor het verhaal van deze nieuwe groep immigranten. Actieve begeleiding bij integratie ontbrak; aanpassing werd als vanzelfsprekend beschouwd. Juist die vanzelfsprekendheid verklaart waarom deze migratie zo weinig zichtbaar werd in het collectieve geheugen, terwijl haar invloed verankerd raakte in de Nederlandse cultuur. Het openlijk opeisen van ruimte voor eigen cultuur voelde voor velen niet veilig of gepast.
De Indische cultuur verdween grotendeels uit het openbare leven en bleef bestaan binnen de privésfeer: in eten, gewoonten en dagelijkse rituelen. Over het verleden werd weinig gesproken; ervaringen, herinneringen en trauma’s bleven onuitgesproken en lieten diepe littekens achter binnen de familiare verbanden. De stilte had blijvende gevolgen: culturele kennis werd niet altijd doorgegeven en latere generaties hielden regelmatig een afstandelijk gevoel over bij hun afkomst. Met een geschiedenis die zich afspeelt in een ander land, maar zijn sporen sterk achterlaat binnen de nieuwe generaties. Toch verdween de Indische identiteit nooit volledig. Wanneer Paul samen met zijn zoon Rowyn langs zijn ouderlijk huis aan de Watermanstraat in Enschede loopt, wordt de culturele aanpassing zichtbaar. Twee generaties, met de sporen van dezelfde geschiedenis. Hun levens laten zien hoe identiteit in de tijd verschuift: wat werd losgelaten, wat zich aanpaste en wat, ondanks jaren van zwijgen, is blijven bestaan.
Paul voor zijn ouderlijk huis op de Watermanstraat ter Enschede
De jeugd van Paul
Paul’s familie {vader, moeder, vier broers en drie zussen} kwam in 1953 in Nederland aan na een lange en vermoeiende boottocht vanuit Indonesië. Zijn moeder was zwanger; kort na aankomst werd Paul’s broer geboren. Het gezin werd, zoals zovelen in die periode, tijdelijk ondergebracht in Hotel Hut, in Losser. Het verblijf was bedoeld als tussenstation, maar markeerde het begin van een nieuw leven in een land dat vertrouwd leek maar vreemd aanvoelde. “Ik merk dat wat mijn ouders hebben gezaaid, wortels heeft,” zegt Paul later. Die wortels groeiden langzaam, in stilte. Paul groeide op in een kinderrijke arbeidersbuurt. Het leven speelde zich grotendeels af op straat. School, vrienden en het huis lagen dicht bij elkaar. Zijn vader werkte in de textiel, zijn moeder runde het huishouden.
Binnen het gezin waren duidelijke rollen, maar ook een vanzelfsprekende openheid. Familieleden liepen in en uit, buren kwamen langs en eten was er altijd. De keuken vormde het hart van het huis. Juist in die huiselijke sfeer werd cultuur niet uitgelegd, maar beleefd. Indische gewoontes bestonden naast Nederlandse gebruiken zonder dat daar woorden aan werden gegeven. De ‘Botol Tjebok’ naast de wc, rijst stond standaard op tafel net als de pannen die nooit leeg leken te raken. Wie op bezoek kwam, kon altijd mee blijven eten. Vrienden sliepen in het weekend op matrassen in de woonkamer. Het huis fungeerde als ontmoetingsplek, niet alleen voor familie, maar ook voor jongeren uit de buurt. Gastvrijheid was geen principe, maar vanzelfsprekend.
Tegelijkertijd voltrok zich buitenshuis een andere werkelijkheid. Op school en in de wijk paste Paul zich moeiteloos aan. Zijn eerste beste vriend was dan ook een Nederlandse jongen. Pas later in zijn tienerjaren zocht hij meer contact met andere Indische jongeren, niet uit verzet, maar uit herkenning. De culturele identiteit was geen bewuste keuze, maar een beweging tussen twee werelden: in het huis Indisch en buiten het huis Nederlands.










Paul & Rowyn bij voormalig Hotel Hut in Losser
Paul & Rowyn bij het graf van Paul’s zijn ouders. Drie generaties op één foto
De keerzijde
In huis was ruimte, buiten vooral voorzichtigheid. Paul kreeg van jongs af aan mee dat je aan opvallen geen voordeel had. “Niet boven het maaiveld uitsteken” was geen expliciete regel, maar een voelbare houding. Het was een manier van bewegen door de wereld, passend bij ouders die hadden geleerd zich aan te passen. Heel af en toe brak dat gevoel open. “Ik weet nog dat ik als kind dacht: waarom ben ik niet blank?” herinnert Paul zich. “Ik denk dat ik acht of negen was. Ik heb daar nooit met iemand over gepraat, maar het zat er wel.”
Die gedachte verdween weer, zoals zoveel gedachten in zijn jeugd. Er werd niet over gesproken. Paul leerde vooral verder te gaan, dat gold ook voor school. Hoewel zijn rapporten steevast hoge cijfers toonden, kreeg hij nauwelijks begeleiding bij zijn keuzes. Zijn ouders tekenden de rapporten af, trots maar op afstand. “Ik wist niet eens dat je je voor de HAVO al in november moest in-
schrijven,” zegt hij. Hij meldde zich uiteindelijk zelf aan voor de MAVO. Er was geen begeleiding vanuit huis of school om zijn capaciteiten te etaleren. Het past binnen het patroon van stille integratie. Goed functioneren, meebewegen en niet vragen om meer dan wordt aangeboden. Ambitie werd niet uitgesproken, waarbij kansen niet werden opgeëist. Niet uit gebrek aan talent, maar uit een aangeleerde bescheidenheid.
De keerzijde
In huis was ruimte, buiten vooral voorzichtigheid. Paul kreeg van jongs af aan mee dat je aan opvallen geen voordeel had. “Niet boven het maaiveld uitsteken” was geen expliciete regel, maar een voelbare houding. Het was een manier van bewegen door de wereld, passend bij ouders die hadden geleerd zich aan te passen. Heel af en toe brak dat gevoel open. “Ik weet nog dat ik als kind dacht: waarom ben ik niet blank?” herinnert Paul zich. “Ik denk dat ik acht of negen was. Ik heb daar nooit met iemand over gepraat, maar het zat er wel.”
Die gedachte verdween weer, zoals zoveel gedachten in zijn jeugd. Er werd niet over gesproken. Paul leerde vooral verder te gaan, dat gold ook voor school. Hoewel zijn rapporten steevast hoge cijfers toonden, kreeg hij nauwelijks begeleiding bij zijn keuzes. Zijn ouders tekenden de rapporten af, trots maar op afstand. “Ik wist niet eens dat je je voor de HAVO al in november moest inschrijven,” zegt hij. Hij meldde zich uiteindelijk zelf aan voor de MAVO. Er was geen begeleiding vanuit huis of school om zijn capaciteiten te etaleren. Het past binnen het patroon van stille integratie. Goed functioneren, meebewegen en niet vragen om meer dan wordt aangeboden. Ambitie werd niet uitgesproken, waarbij kansen niet werden opgeëist. Niet uit
gebrek aan talent, maar uit een aangeleerde bescheidenheid.
Paul & Rowyn bij het graf van Paul’s zijn ouders. Drie generaties op één foto
Rowyn draagt een trui met de Garuda, het nationale symbool van Indonesië, op de achterkant
De volgende generaties
Wat niet werd uitgesproken verdween echter niet, het kreeg andere vormen. Waarden als zorg, loyaliteit en gastvrijheid werden wél
doorgegeven. Culturele aspecten van de Indische identiteit werden op subtiele manieren overgedragen. Paul lacht hierbij; “Ik vergeet de wijze woorden van mijn moeder nooit meer. Zij zei altijd: leer dit eten zelf te koken als je het lekker vindt, want als je een meisje treft die dit niet kan, kan jij het zelf”.
Nieuwe generaties kwamen. Geboren in andere tijden, in een Nederland dat opener leek en door de jaren heen meer ruimte liet voor verschil. Indo’s staken ineens boven het maaiveld uit. Van prominenten in de politiek tot heuse televisiepersoonlijkheden. Het Indische gezicht werd steeds meer zichtbaar in het hedendaagse. Rowyn is daar ook een onderdeel van. Geboren in 2004, in een samenleving waarin hij zichzelf kon vormen als individu, groeide Rowyn op met de mogelijkheid om te kiezen hoe zichtbaar hij wilde zijn. “Cultuur is zoveel meer dan alleen afkomst. Dingen als tradities, omgeving, taal, normen en waarden geven vorm aan je identiteit,” begint Rowyn. “Ik voel me meer een Nederlander dan een Indo.” Toch draagt óók hij het Indische verleden met zich mee. Niet als herinnering, maar als erfenis. In het eten dat nog steeds gedeeld wordt, in de vanzelfsprekende aanwezigheid van familie en in de manier waarop zorg en verbondenheid een centrale plaats innemen. “Ik ben misschien niet Hollands opgevoed, maar dat maakt mij niet minder Nederlands”. Opgegroeid met Nederlandse feestdagen, tradities, onderwijs en vriendschappen, is zijn identiteit gevormd binnen Nederland.
Dat is wat Paul later herkent wanneer hij naar zijn eigen kinderen kijkt. De schroom die hij kende, ziet hij bij hen minder terug. De stilte heeft plaatsgemaakt voor ruimte. “Ik ben nu trots op mijn Indische komaf,” zegt hij. “Ik kan niet precies uitleggen waarom. Het is een gevoel.” Wat zijn ouders hebben gezaaid, heeft wortels geschoten. In sterkere familiebanden. In een huis waar de deur openstaat. En in een volgende generatie die zich vrijer beweegt tussen werelden die ooit strikt gescheiden leken.
Dit verhaal is verteld door: