Volgens het CBS is er in Nederland een woningtekort van zo’n 315.000 huizen. Deze crisis vormt momenteel een van de grootste maatschappelijke vraagstukken. Dat terwijl dit jaar de hoeveelheid leegstaande woningen voor het eerst steeg tot boven de 200.000. De combinatie van een tekort aan woningen, stijgende prijzen, grote pandjesbazen en lange wachttijden zorgt ervoor dat grote groepen mensen in de knel komen.
Deze casus gaat over jongeren die dankzij deze woningcirisis in alternatieve, vaak slechte woonomstandigheden terecht zijn gekomen. Jongeren moeten doorzettingsvermogen en veerkracht inzetten om van een slechte situatie hun thuis te kunnen maken. We hebben twee jongeren gevolgd, Aris en Lola, die beide vinden en voelen dat het systeem hen faalt. Lola woont antikraak in een oud kantoorpand, terwijl Aris de winter doorkomt in een gekraakt pand in de randstad.
Beide hebben ze hun eigen struggles: Bij Aris’ kraakpand is het ’s winters ijskoud, terwijl bij Lola geen enkel gevoel van samenhorigheid bestaat. Eén ding hebben ze sowieso gelijk: ze leven in grote onzekerheid. De verhalen tonen geen uitzonderingen, maar een systeem dat normaal is geworden. Jongvolwassenen passen zich aan, verhuizen noodgedwongen en leren leven met voorwaarden die telkens kunnen veranderen. Wat betekent thuis zijn als niets vast is? En wat doet dat met je gevoel van veiligheid, autonomie en toekomst? De expositie nodigt uit om niet alleen te kijken, maar stil te staan. Achter elk tijdelijk contract zit een menselijk leven dat zich blijft aanpassen. Door deze persoonlijke perspectieven naast elkaar te plaatsen, wordt zichtbaar hoe structureel de wooncrisis ingrijpt in het dagelijks bestaan.
Dit werk vraagt geen medelijden, maar aandacht. En de vraag wat wonen vandaag de dag werkelijk betekent.